Algemeen aangenomen wordt dat de Boeddhistische monnik Bodhidarma (in het Chinees: Da Mo; in het Japans: Daruma) de grondlegger is van de Shaolin vechtkunst. Uit muurschilderingen en andere overblijfselen kan echter worden afgeleid dat het fundament al bijna vijfduizend jaar geleden in India werd gelegd. Tijdens de opkomst van het Boeddhisme was een vroege vorm van deze vechtkunst al in India sterk georganiseerd en gestandaardiseerd.

 

Beweerd wordt zelfs dat de Boeddha zelf zo onder de indruk was van de effectiviteit van deze methode om lichaam en geest in harmonie te brengen, dat het in het Boeddhisme werd opgenomen. Beelden uit de Boeddhistische godenwereld getuigen van deze relatie tussen de vechtkunst en het Boeddhisme. Beelden van de tempelwachters zijn uitgebeeld in strategische houdingen uit de vechtkunst, waarbij de stijl duidelijk overeenkomt met het Shaolin Ch'uan Fa.

 

Het Boeddhisme dat Bodhidarma in het begin van de zesde eeuw na Christus naar China bracht, was gericht op het aardse leven, het verhogen van het geestelijke niveau en het in harmonie leven met anderen en je omgeving. Na enkele omzwervingen in de kleine rijken van het huidige China, kwam Bodhidarma uiteindelijk terecht bij de Songshan-tempel, bekend onder de naam Shaolin-ssu. Het is niet duidelijk of hij ook zijn intrede in de tempel heeft gedaan, maar hij zou wel negen jaar in de omgeving van de tempel hebben gemediteerd, met zijn gezicht naar de muur gericht. Deze tempel bestaat nog steeds en bevindt zich op de west helling van de berg Songshan, nabij Luoyang, in de provincie Henan (Honan), in Centraal-China. De leer van Bodhidarma werd bekend onder de naam Ch'an (in het Sanskriet: Dhyanna; in het Japans: Zen) Boeddhisme en betekent meditatie, dat wil zeggen het leren zien in de eigen ziel. Meditatie was een belangrijk middel om tot een hoger geestelijk niveau te komen. Omdat de lange meditatie het lichaam verzwakte, en een gezonde geest en gezond lichaam samen behoren te gaan ('Mens sana in corpore sano'), is meditatie alleen niet voldoende. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de vechtkunst casu quo bewegingsleer een belangrijk onderdeel was van de dagelijkse bezigheden van de monniken, om de intensieve meditatie te kunnen volbrengen.

 

De staande oefeningen (aanvankelijk een basisvorm van 18 bewegingen die door Bodhidarma zou zijn ingevoerd en later werd uitgebreid tot 118 bewegingen) die voornamelijk als spirituele training werden gedaan, hadden in het begin nog niet veel te maken met de vechtkunst. Gaandeweg werden zij echter tot een volledig systeem uitgebreid. Gezien de martiale geschiedenis van het land is aannemelijk dat bestaande technieken van andere vechtkunsten in China daaraan hebben bijgedragen. Het ligt voor de hand dat intredende monniken, die de Shaolin vechtkunst kwamen studeren en zelf een martiale achtergrond hadden, invloed hebben uitgeoefend op de ontwikkeling van de vechtkunst binnen de muren van het klooster. De monniken beoefenden de vechtkunst vooral om de harmonie tussen lichaam en geest te bevorderen. De vechtkunst stelde de monniken echter ook in staat om de tempeleigendommen te beschermen.

 

De uiterst effectieve vechtkunst ontwikkelde zich in het diepste geheim en alleen monniken die voorgoed hun intrede in de Shaolin-tempel hadden gedaan, kwamen ermee in aanraking. Deze geheimhouding houdt waarschijnlijk verband met de omstandigheid dat de vechtkunst in handen van personen die de diepere betekenis ervan niet kenden als gevaarlijk werd beschouwd en dat deze personen de vechtkunst zouden kunnen misbruiken.

 

In de loop der tijd is op het Chinese vasteland een versnippering in de Shaolin-vechtkunst ontstaan. Grofweg kan onderscheid worden gemaakt in een noordelijke en een zuidelijke Shaolin-stijl. De noordelijke stijlen kenmerken zich door veel en hoog beenwerk met gesloten dekking en open (lage) standen, zoals Ma-Pu (paardrijhouding) en de snelle bewegingen. De zuidelijke stijlen zijn daartegenover bijzonder gesloten en in deze stijlen wordt voornamelijk met de armen gewerkt en op sterke standen vertrouwd, zoals Ch'uan-Pu (roeihouding). Daarbij worden de trappen laag gehouden en wordt vooral met de hiel getrapt. Gelet op het voorgaande wordt wel gesproken van de 'zuidelijke vuist en het noordelijke been' (in het Chinees: nan-ch'uan pei-t'ui). Een groot deel van de stijl die in China de naam Shaolin-Ch'uan heeft gekregen, is van oorsprong noordelijk. Deze stijl geniet in het westen de meeste bekendheid. Een voorbeeld van een typisch zuidelijke stijl is het Wing Chun (dat 'mooie lente' betekent). De voornaamste klassieke Shaolin-stijlen zijn: Lau, Hung Gar, Choy, Lai en Mok (vernoemd naar vijf monniken die één van de boksersopstanden overleefden). Mogelijk zijn de vele familiestijlen (-Gar) van deze klassieke stijlen afkomstig.

 

Uit de geschiedschrijving blijkt ook dat de verhouding tussen 'hard' en 'zacht' (ook wel 'extern' en 'intern') in de Shaolin-tempel in de loop der tijd verschillende keren is gewijzigd. Vermoedelijk is de vorm oorspronkelijk 'zacht' of 'intern' (in het Chinees: Nei Jia) geweest, en werd door militaire invloeden de noodzaak voor een 'harde' of 'externe' (in het Chinees: Wai Jia) vorm geboren. Mogelijk werd de moeilijkheidsgraad van een zacht systeem als te hoog ervaren. Mede door de benodigde dynamiek, lenigheid en het ontwikkelen van het gebruik van Chi duurt het veel langer om je een zacht systeem eigen te maken. Het eigen maken van een zacht systeem vereist een grotere lenigheid en lichaamsbeheersing, waarbij de kracht van de ledematen een meer ondergeschikte rol gaat spelen. Omdat dit veel trainingstijd en toewijding vereist, was het doelgerichter om met een hardere vorm vechtmonniken klaar te stomen om hen in dienst te kunnen stellen van het volk en mogelijk van de keizer. De zachte vormen als het Hsing-I, Pa-Kua en T'ai-Chi hebben echter ook harde elementen in zich omdat in zekere zin 'hard' en 'zacht' altijd samen gaan. In deze filosofie en vechtkunsten speelt ook de natuur een belangrijke rol. Vele dierstijlen kunnen erin worden teruggevonden en vele bewegingen vertonen overeenkomsten met het Shaolin. Dit vormt het bewijs dat er een omvangrijke uitwisselingscomponent moet hebben bestaan tussen al deze vechtvormen, en mogelijk heden ten dage nog bestaat. Geschat wordt dat er in China ten minste 400 verschillende stijlen bestaan.

 

Tijdens moeilijke perioden in China zijn vele experts naar het buitenland (zoals Taiwan, Hong Kong en Okinawa) gevlucht. Het is dan ook niet verwonderlijk dat met name Taiwan en Hong Kong wat betreft de kennis op dit gebied voor ons erg interessant zijn. 

 

Het Kempo in Nederland

 

Het Kempo is weliswaar oorspronkelijk een Chinese vechtkunst, maar het heeft in verscheidene landen culturele invloeden ondergaan.

 

In 1954 vond de introductie van het Kempo in Nederland plaats. Er kunnen twee lijnen worden onderscheiden, verdeeld in de weg via welke het Kempo naar Nederland overwaaide:

- van China via Indonesië naar Nederland;

- van China via Japan naar Nederland.

 

In het eerste geval werd het Kempo door militairen van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (K.N.I.L.) vanuit Indonesië naar Nederland meegenomen. In deze vorm van Kempo is een duidelijke invloed van het Indonesische Pentjak Silat aanwezig. Omgekeerd heeft het Kempo ook een grote invloed gehad op het Pentjak Silat. Oorspronkelijk werd de naam Kun Tao gebruikt. Dit is een verzamelnaam voor verschillende Chinese vechtkunsten en wordt overal in Indonesië en Maleisië gebruikt voor de daar beoefende Chinese vechtkunsten, afkomstig van de Chinese gemeenschappen in die landen. De term Kun-tao stamt uit het Hokkien-dialect van de zuid-oostelijke Chinese kuststreek van de provincie Fukien. Volgens een overlevering heeft een Chinese monnik die in Java het Boeddhisme onderwees, dit in het begin van de vijfde eeuw naar Java gebracht. Onder andere in Nederland heeft deze vechtkunst onder de naam Shaolin Kempo een bredere bekendheid verkregen. Taalkundig is deze naam echter foutief, omdat het een samentrekking is van het Chinese woord 'Shaolin' en het Japanse woord 'Kempo'. Overigens wordt in Japan het karakter van 'Shaolin' als 'Shorinji' uitgesproken.  

 

In het tweede geval zijn er tussen China en Japan nog tussenstappen mogelijk, te weten via Okinawa (eilandengroep tussen Japan en China), of via Taiwan, of via Korea. In laatstgenoemd geval werd de vechtkunst weer door militairen, die in Korea hadden gevochten, meegenomen. In Japan geniet het Kempo grote populariteit en is de stijl van Doshin So het meest verbreid, onder de naam (Nipon) Shorinji Kempo.

 

De invloed van voornamelijk het Karate op het Kempo is onmiskenbaar. Voor de benaming van technieken worden overeenkomstige Japanse namen gebruikt en de lesmethode is ook aangepast aan het lesgeven aan grotere groepen overeenkomstig andere Budo sporten. Het lijkt misschien wat vreemd dat voor een Chinese vechtkunst Japanse namen worden gebruikt, maar men moet zich bedenken dat het Chinees een klanktaal is, waardoor de betekenis van een woord verandert door de toonhoogte in het woord te veranderen. Dat maakt het voor westerlingen erg moeilijk een Chinese term correct uit te spreken. Om die reden is ervoor gekozen de Japanse terminologie te bezigen. Vele van de Chinese technieken zijn in het Karate overgenomen. Het is dan ook wel praktisch dat de naamgeving hetzelfde is. De Chinese uitvoering van deze technieken is echter vaak anders dan de Japanse, iets wat onder andere is te wijten aan verschillen in lichaamsbouw.

 

In de periode van 1958 tot 1963 werd het Kempo vooral in besloten (familie- of vrienden-)kring beoefend, zoals gebruikelijk was. In 1963 werd het Kempo, naar het voorbeeld van het toen al populaire Karate, naar buiten gebracht.

 

In brede zin zijn er twee duidelijk te onderscheiden stijlen:

- de Kempo-karate stijl; dit is vooral een externe stijl die veel op het Karate lijkt. Deze indruk wordt nog versterkt door de omstandigheid dat het Karate in Okinawa is ontstaan onder sterke invloed van Chinese Kempo-meesters;

- de Kun-tao of Wushu stijl; een interne en externe stijl, die uiterlijk wordt gekenmerkt door een grotere dynamiek en daardoor meer dansachtig of sierlijker overkomt. 

 

Met de geschiedenis van het Shaolin Kempo in Nederland zijn twee namen onlosmakelijk verbonden. Carl Faulhaber (1923-1974) specialiseerde zich in Kun-tao. Gerard K. Meijers/Dschero Khan (1928-) bekwaamde zich vooral in het Kyokoshin-kai Karate en het Jiu Jitsu. Dschero Khan bundelde zijn kennis van de vechtkunsten Kyokoshin-Karate, Jiu Jitsu en Kun-tao, standaardiseerde die en ontwikkelde de mengvorm verder tot het Shaolin Kempo. 

 

Beïnvloed door zijn contacten met de grote Japanse Karateka's Gogen Yamaguchi (Goji Ryu Karate) en Matsutatsu Oyama (Kyokoshin-kai Karate) gaf sifu G.K. Meijers/Dschero Khan het Shaolin Kempo een meer op deze vechtkunsten geöriënteerde organisatorische structuur, die beter geschikt is voor het onderwijs aan grote aantallen studenten dan het zeer individuele onderwijs op Indonesisch-Chinese wijze, die de voorkeur geeft aan kleine groepen in familiekring.

 

Nadat sifu Faulhaber en sifu Meijers/Dschero Khan ieder hun eigen weg waren gegaan, heeft deze vechtkunst onder de naam Shaolin Kempo zich georganiseerd in de "Eerste Nederlandse Shaolin Kempo Bond" (E.N.S.K.B.) die in 1966 werd opgericht en gedurende vele jaren het Kempo in Nederland beïnvloedde. Door deze organisatorische structuur ontstond een genormeerd examenprogramma met vastgelegde partneroefeningen, saifa's en andere onderdelen. Dit is in latere Kempo-verbanden in stand gebleven.